Katholieke Scholengemeenschap Hoofddorp www.CKV1KSH.nl

 

 

 

 

De filmopdracht

filmpje maken

 

De drie fases

 

Een paar TIPS om je script te verbeteren.

Natuurlijk is kattenkwaad niet goed. Iedereen moet er meteen mee stoppen. Maar omdat je dat toch niet doet, kun je er maar beter een goede grap van maken. Dan valt er tenminste ook wat te genieten voor degene die in de maling wordt genomen.

Losse flodder
Zie kattenkwaad als een toneelstuk. Jij bent de acteur. De toeschouwer is degene die voor de gek wordt gehouden. Een goed toneelstuk is in vijf elementen opgebouwd, met als hoogtepunt de climax (we leren je gelijk wat toneeltermen aan, ook handig als je galgje speelt). Laten we een willekeurige grap pakken: belletje lellen. We beginnen bij de meest eenvoudige vorm: Je belt aan en rent weg. Welke elementen zitten erin en welke missen er nog?

Inleiding je hebt een idee, je zoekt een slachtoffer, je staat voor de deur.
Motorisch moment: dat is het moment dat je aanbelt. Vanaf daar wordt het spannend.
Spanningsopbouw: je laat alle spanning los en rent weg.
Climax: ----
Afbouw: ----

Het motorisch moment was meteen de climax. Zo is de grap een losse flodder. Alsof je halverwege het toneelstuk wegloopt. De kunst van een goed stuk is dat je de climax uitstelt, door de spanning zo lang mogelijk vast te houden. We doen een nieuwe poging:

Inleiding: je hebt een idee, je zoekt een slachtoffer, je staat voor de deur.
Motorisch moment: je belt aan.
Spanningsopbouw: je blijft staan. De deur gaat open.
Climax: je zegt: „Ik ben vergeten weg te rennen”.
Afbouw: je rent weg.
Segmentjes
De opbouw klopt. Nu gaat het nog om de goede uitvoering. Vanaf de deur die open gaat hangt het helemaal af van jouw acteervermogen. Dit kun je oefenen. De kunst is om alle losse onderdelen los van elkaar te oefenen en na elkaar uit te voeren. Daar gaan we:

1. De deur gaat open. Je kijkt het slachtoffer met een onschuldige glimlach aan. Heb vooral oogcontact. Blijf zo zonder te denken en te bewegen drie tellen staan.
2. Je verliest het oogcontact en begin je te fronsen. Je bent wat vergeten, maar je weet even niet wat. Dit mag gerust vijf tellen duren.
3. Je herinnert je eindelijk wat er aan de hand is: je hebt net belletje geleld en je had nog moeten wegrennen. Je kijkt blij. Je laat zien dat je blij bent, door weer oogcontact te hebben. Alles bij elkaar duurt dit ongeveer twee tellen.
4. Je beseft je de consequentie van wat er aan de hand is. Je blijft je slachtoffer aankijken, maar je ogen worden groter en verstarren. Verstijfd zeg je de zin: „Ik ben vergeten weg te rennen.”
5. Je draait je met een flits om. Je wacht een halve seconde en je rent op je allersnelst weg.

Succes!

Tekst: Job van Gorkum bron: Digibieb

Colofon | Overnemen materiaal en opdrachten | Privacy | Contact | © 1999-2008 KSH, Hoofddorp