Katholieke Scholengemeenschap Hoofddorp www.CKVKSH.nl

Om je een beetje wij te laten worden in alle begrippen die je om de oren kunnen vliegen, vind je hier een begrippenlijst. Als een begrip er niet tussen staat, mail of vraag het dan in de klas!
Klik op de discipline van je keuze: Muziek-Film/TV-Drama-Musical/Opera-Beeldend/Dans
Muziek
A Capella alleen zang, verder geen begeleiding
After-beat het accent ligt op de 2e en 4e tel, i.p.v. op de gebruikelijke 1e-en 3e tel. Reggae is een voorbeeld ervan.
Akkoorden de tonen die als begeleiding dienen in een nummer. Bij een akkoord zijn het er altijd meer dan twee.Elektro-instrumentale muziek vorm van elektronische muziek, waarbij de instrumenten uitgerust zijn met contactmicrofoons, die zijn verbonden met elektronische klanktransformatie-apparatuur.
Fill-inn een ritmisch/melodische opvulling van de muziek. Het gaat meestal hoogstens om enkele tellen.
Instrumentaal zonder zang
Instrumentatie De instrumenten die een rol spelen in een stuk.
Kinothek een catalogus met muziekfragmenten, samengesteld door de belangrijkste muziekfilmcomponist uit de periode van de stomme film (Guiseppe Becci).
Klankgeneratoren machines die de (zuiverheid van) klanken konden bijstellen
Klankkleur het karakter van en klank, de sfeer die een klank oproept, bijv. scherp, dof, enz.
Klanksynthese samensmelten (samengaan) van klanken
Melodieen de belangrijkste tonen. Meestal zingt de zanger de melodie, of doen andere (melodie-)instrumenten dat.
Musique concréte muzikaal genre, door Pierre Schaeffer sinds 1948 ontwikkeld in de Parijse Studio de Recherches Musicales (ORTF), waarbij klanken met een microfoon worden opgenomen en vervolgens, op dezelfde wijze als bij elektronische muziek, met elektro-akoestische apparatuur (magnetofoons, filters, modulatoren, transformatoren, enz.) worden verwerkt.
Muziekfunctie De functie die de muziek heeft. (bijvoorbeeld om op te dansen, naar te luisteren, op te hitsen, achtergrondmuziek)
Muziekstijl muziek met bepaalde eigenschappen/kenmerken
Percussie alle ritme-instrumenten behalve het drumstel
Repetatief zich steeds herhalend
Stock music vooraf gecomponeerde en op magnetisch geluidsband vastgelegde muziek die aan filmproducenten wordt verstrekt.
Vorm volgorde van verschillende stukjes in de muziek (bijv. Couplet refrein-bridge-refrein enz.)
Film/TV
Close-up Opname van dichtbij, waarbij bijvoorbeeld alleen het hoofd het beeld vult.
Kikvorsperspectief Vanuit een laag camerastandpunt gezien.
Tilt Een verticale camera beweging
Vogelvluchtperspectief Vanuit een (zeer) hoog camerastandpunt gezien.
Zoom Vernauwing (inzoomen) of verwijding (uitzoomen) van het beeld met behulp van een zoomlens, een lens met een variabele beeldhoek.
Drama
Actie Zichtbare handeling
Acteur Een speler, iemand die een rol speelt, een personage uitbeeldt.
Auteur Schrijver van toneelstukken.
Bedrijf Een avondvullend toneelstuk bestaat meestal uit drie bedrijven,(delen,hoofdstukken: inleidend- de hoofdzaak -uitleidend).
Betekenis De zin die door de toeschouwers wordt wordt toegekend aan het dramatisch spel of een dramatisch element.
Black box theater Vlakke vloer theater
Blijspel vrolijk toneelspel
Comedies-ballet in de 17e en 18e eeuw populaire theatervorm waarbij de handeling van een blijspel wordt verlevendigd door vele dansen
Commedia dell arte meest gebruikelijke naam voor het Italiaanse geïmproviseerde typentoneel van de 16e tot 18e eeuw
Conflict Spanningwekkende tegenstellingen binnen één persoon of tussen verschillende personen wat betreft belangen of motieven.
Decor(stukken) De gezamenlijke spullen die dienen als achtergrond en entourage (decor- en zetstukken). Daarmee wordt een fictieve ruimte gecreëerd.
Dialoog Samenspraak tussen twee personen.
Dramatische tijd De gespeelde tijd waarbinnen de dramatische situatie zich afspeelt en/of de reële tijd waarbinnen het drama zich voltrekt.
Dramatische situatie De fictionele (gespeelde) situatie waarbinnen de relaties tussen de personages in "geïsoleerde" tijd en ruimte duidelijk worden.
Dramatiseren Het proces waarin verbeelding via andere bronnen dan een toneeltekst wordt vormgegeven in een gespeelde situatie; welk proces uiteindelijk resulteert in een voorstelling.
Dramatisch gegeven Onderwerp of uitgangspunt voor het stuk.
Dramatische vorming De toepassing van drama in pedagogische en didactische situaties.
Dramaturg Iemand die het ontstaan van een toneelstruk, de receptie en de vorige opvoeringen van een toneelstuk bestudeert; hij heeft ideeën om een toneelstuk vorm te geven- ter handreiking aan spelers en regisseur- en hij schrijft vaak ook nog begeleidende teksten bij-de voorstelling voor het publiek.
Eenakter Kort toneelstuk bestaande uit één bedrijf zonder decorwisseling).
Enscenering De manier waarop de theatermakers het stuk hebben vormgegeven, op de planken hebben gezet, geën-scene-erd (zie ook mise-en-scène).
Expositie Meestal het begin van een toneelstuk; informatie vooraf van/ over alle personen, hun relaties, hun geschiedenissen: alles wat nodig is om het spel te begrijpen
Flash-back eerst het eindresultaat laten zien en vervolgens vertellen hoe het zo is gekomen (late point of attack-drama)
Fragmentarische verhaalstructuur losse verhaalfeiten krijgen langzamerhand een bepaald verband
Expositie: het verhaalgegeven wordt bekend gemaakt, het motorisch moment: het conflict kondigt zich aan; de crisis: botsingen zijn definitief; peripetie of ontknoping: afloop wordt bekend; katharsis of stemmingsuitleiding: publiek wordt aan het denken gezet, krijgt een boodschap mee.
Fabel Verhaalgebeurtenissen in chronologische volgorde.
Fictie Gefantaseerde verhaal/voorstelling
Fysiek spel Spel van het lichaam zonder de stem: houding, beweging, gebaren en mimiek.
Genre en vormen
Hoofdgenres: tragedie of treurspel en komedie of blijspel; rond 1900 spreken wij van toneelspel, dat zowel tragische als komische eimenten kan bevatten.
Vormen gebonden aan klassieke regels: tragedie, blijspel, klucht, commedia deil'arte, herderspel.
Vrije vormen: eenakter, romantische spelen (Shakespeare).
Bewegingstheater, muziektheater, musical, totaaltheater.
Mimetheater, klank- en lichtspel, hoorspel, thriller.
Naar publieks/doelgroepen: hondentheater (Schippers), vrouwentheater, jeugdtheater, amateurtheater, soldatenstukken, kindertheater, studententheater.
Naar inhoud: vormingstheater, politiek toneel, leerstukken, theater van de lach, werktheater, danstheater.
Naar speelplek: straattheater, wagenspel, liturgisch spel, open-lucht-spelen.
Grime Opmaak/beschildering van het gezicht.
Handelingen Activiteiten van een personage die een verandering te zien geeft in het spel zowel uiterlijk (actie) als innerlijk(motief).
Handelingsverloop De volgorde van een ontwikkeling binnen de dramatische handeling; zie plot.
Hoofdtekst De hoofdtekst van een toneelstuk is de uit te spreken tekst: dialogen en monologen.
improviseren Vorm van dramatisch spel waarbij de spelers het spel beginnen, terwijl één of meer gegevens vooraf niet zijn vastgelegd.
Intrige Zie: plot.
Karakter Personage van wie meer karaktertrekken zijn uitgewerkt, v.g.l. type.
Kijkkasttheater Theaterruimte met een duidelijke scheiding tussen de speel- en de publieksruimte; meestal d.m.v. een verhoging van het podium. Hierdoor is er maar één manier om de theaterzaal te bespelen(tegenovergestelde van de vlakke vloer).
Klucht mal blijspel van geringe omvang
Komedie zie blijspel
Mimiek Uitdrukking van het gezicht.
Mise-en-scene De zetting van het stuk. De manier waarop het verhaal in beelden wordt verteld (dichtbij spel= intimiteit; veraf-spel= afstand; hoger en lager speelniveau zegt iets over wie de baas is). Toneelinrichting waarbij houding, gebaar, mimiek en plaats een eigen taal spreken. Het gaat dus vooral om de bewegingspatronen van de spelers (loopjes).
Momentane spanning Los van de spanningsopbouw (zie hieronder) kunnen bepaalde momenten spanning wekken, bijvoorbeeld een 'mooie ruzie'.
Monoloog Alleenspraak; stuk voor een persoon.
Motief I.Beweegreden of drijfveer voor het handelen van een personage, 2 herhaald voorkomend element in het stuk.
Motorisch moment Het moment waarop de intrige zich begint te ontwikkelen (het conflict of de belangentegenstelling is duidelijk; kan afhankelijk van de structuur aan het begin van het drama of pas na enig tijdsverloop zichtbaar worden).
Neventekst Het deel van het toneelstuk waarin de regieaanwijzigingen gegeven worden.
Personage/rol Een gespeelde persoon met eigen kenmerken (geslacht, karakter, sociale status).
Plotlijn De verhaallijn. In een soap/toneelstuk kunnen meerdere plotlijnen door elkaar heen geweven zijn.
Plottijd De tijd die de plot beslaat.
Repertoire
1. Dat wat op het 'repertoire staaf: de te spelen stukken door een gezelschap of in een speelseizoen,
2. de lijst van toneelstukken die we nog de moeite waard vinden om te spelen: wat 'repertoire houdt' ('de canon')
Rekwisieten/zetstukken
Voorwerpen die niet tot de kleding behoren, maar tot het décor.
Regisseur Degene die verantwoordelijk is voor het tot standkomen van het toneelspel, de voorstelling.
Regisseurstoneel Toneel waarbij de regisseur zich gedraagt als de eigenlijke maker van de voorstelling en het bijvoorbeeld met tekstgetrouwheid en bedoeling van de auteur niet zo nauw neemt.
Ruimte De verbeelde ruimte of plaatsten) waar de handeling zich afspeelt en/of de reële ruimte waar het dramatisch spel zich voltrekt (bijvoorbeeld het podium).
Scène Het kleinste onderdeel van een bedrijf binnen een toneelstuk/film: zonder wisseling van personen, tijd, ruimte en personages.
Spanningsopbouw Er is sprake van het naar een climax of een oplossing toewerken; er is bijvoorbeeld geladenheid in het handelen van een personage die de verwachflng wekt dat er iets staat te gebeuren; hangt samen met de intrige maar ook met de kennis over de gang van zaken op het toneel die personages en/of toeschouwers hebben.
Speler of acteur Degene die een rol speelt op het toneel.
Stemmingsinleiding De sfeer van het stuk wordt neergezet aan het begin, v.g.l. ook expositie.
Tijd, ruimte/plaats De gespeelde tijd, de reële tijd en de historische tijd; de verbeelde of echte ruimte/plaats waar het zich afspeelt.
Tragedie Treurspel
Type Personage van wie maar één karaktertrek is uitgewerkt, v.g.l. karakter.
Verhaalopbouw Chronologische verhaalstructuur: en toen en toen en toen (early point of attack- drama);
Vlakke vloer Theater zonder duidelijke scheiding tussen de publieksruimte en de speelruimte;hierdoor kan de speelruimte in de theaterruimte overal zijn; alleen de publieksruimte moet verplaatst worden; ook wel black box theater genoemd; in tegenstelling tot kijkkasttoneel.
Musica, Operal
Ballad Opera Engels zangspel, waarvoor wél nieuwe teksten werden geschreven, maar waarvoor de muziek links en rechts werd geleend. De ballad opera, in het begin van de 18e eeuw in Engeland ontstaan werd al gauw naar Amerika geëxporteerd, waar hij grote populariteit kreeg.
Chanson Een lied, naar inhoud variërend van een esprit-volle satire op de maatschappij en situaties in het dagelijks leven tot een, soms sentimenteel, liefdes- of levenslied, in de meeste gevallen gedicht, op muziek gezet en uitgevoerd door de zanger (chansonnier).
Comic Engelse term waarmee over het algemeen werken worden aangeduid die soms meer overeenkomst vertonen met operettes dan met komische operas.
Light Opera Zie comic.
Lokalposse De Gesangs- of Musikposse is een dolle klucht, waarbij de muziek, meestal eenvoudige liedjes, slechts een ondergeschikte rol speelt. De Lokalposse is plaatsgebonden, bijv. de Wiener Lokalposse. In deze laatste is vaal ruimte voor sentiment.
Musical Amerikaanse operettevorm die, nadat hij zich bevrijd had van Europese invloeden, zijn eigen weg is gegaan. Men onderscheidt wel de musical comedy, waarin het verhaaltje soms alleen nog maar een voorwendsel lijkt voor o.a. aan de revue ontleende show-elementen, en de musical play, waarin de muziek, de tekst en de handeling een eenheid vormen.
Opera buffa Italiaanse vorm van opera (It. buffo= grappig). Tegenhanger van de opera seria (It. serio= ernstig), die als afstammeling van de commedia dellarte krachtige humor met een sterk parodistische inslag op het toneel bracht.
Revue Theatervorm die beoogt een groot publiek te vermaken door het vertonen van een reeks afwisselende spectaculaire taferelen met groot vertoon van glitterende kostuums en decors, vaak ook met gebruikmaking van vernuftige machinerieën.
Singspiel Naast de ernstige Duitse opera van de 18e eeuw ontstond een meer luchtige vorm van muzikaal theater, het singspiel, waarin de romantiek en de sprookjessfeer onderstreept werden door volksliedachtige muziek.
Vaudeville Hoewel er ook andere verklaringen zijn wordt meestal aangenomen dat het woord vaudeville een verbastering is van voix de ville, d.w.z. stem van de stad. Met die stad wordt dan Parijs bedoeld. Een vaudeville is een luchtig toneelspel, waarin vrolijke, spottende, actuele liedjes zijn opgenomen.
Zarzuela Spaanse vorm van muzikaal theater, die niet geheel vergelijkbaar is met de Franse of Weense operette, hoewel hij die in vele gevallen dichter benadert dan bijvoorbeeld de opera.
Beeldende vormgeving
Architectuur
Art Deco Kunststroming uit de jaren 20 en 30, waarvan de naam is afgeleid van de Exposition internationale des arts decoratifs et industriels modernes (Parijs, 1925). Ze onderscheidt zich door kubusvormige, hoekige vormen.
Brutalisme Door Le Corbusir geïntroduceerd begrip dat oorspronkelijk betrekking had op het gebruik van het ruwe (Frans) onbeklede beton en Engeland door de Smithsons werd toegepast. Het brutalisme staat voor een architectuur die recht doet aan het materiaal in zijn onbedekte vorm en de functionele relaties daardoor direct zichtbaar maakt.
Classicisme Herleving van het classicistische vormenrepertoire van de architectuur van de klassieke oudheid in Europa en Noord-Amerika in de late 18e en vroege 19e eeuw.
Deconstructivisme Door de tentoonstelling Deconstructivist Architecture in het museum of Modern Art, georganiseerd door Philip Johnson en Mark Wigley in 1988, kreeg deze architectuurrichting internationale bekendheid. Ter afbakening van het klassieke Modernisme en het Postmodernisme zijn deconstructivistische bouwwerken te herkennen aan hun elkaar overlappende, versplinterde en afgeschuinde vormen. Ze drukken een algemeen gevoel van destabilisatie uit dat niet alleen de wereld in de jaren 80 en 90 kenmerkt. Op het eerste gezicht roepen veel gebouwen door hun onmogelijk lijkende technieken , het verrassende materiaalgebruik en de ongebruikelijke vormentaal verbazing op bij de kijker. De belangrijkste vertegenwoordigers van het inmiddels internationaal verspreide Deconstructivisme zijn Gehry, Libeskind, Hadid, COOP Himmelb(I)au, Peter Eisenman en Bernard Tschumi. <U1:P</U1:P
Eclecticisme Vermenging van verschillende stijlelementen aan een gebouw. Vooral tijdens het Historisme gebruikelijk, maar ook in de Postmoderne cultuur.
Expressionisme
Functionalisme De dominante functie van een gebouw waardoor een maximaal rendement moest worden bereikt, was de grondslag van de plattegrond en gevel in de moderne architectuur sinds Sullivan (form follows function) tot enmet de postmodernisten. Vooral bij de bouw van fabrieken, maar ook in de woningbouw, waar overbodig geachte representatieve ruimten of decoraties werden weggelaten.
Vooral door het Bauhaus werd het Functionalisme het dominerende principe in de architectuur van de 20e eeuw. Nieuwere stromingen zoals het Postmodernisme en het Deconstructivisme onderscheiden zich daarentegen door hun kritiek op de eenzijdig functionele oriëntatie van architectuur.
Gewapend beton Door combinatie met een ijzeren of stalen geraamte (wapening) kan de belastbaarheid van het beton worden vergroot, zodat vooral bij de bouw van hallen enorme spanwijdten kunnen worden overbrugd. Door de variabele toepassing van beton is het belangrijkste bouwmateriaal van de 20e eeuw geworden.
Gotiek Stijlrichting die alle genres in de middeleeuwse kunst omvat, omstreeks 1140 voor het eerst kon worden vastgesteld en zijn oorsprong vond op het Lie-de-France (Parijs). Kenmerken zijn vooral de hoog oprijzende pijlerbundels en de spitsbogen. De Gotiek nam in Europese landen voor een deel heel verschillende gedaantes aan. Dat kwam ook overeen met de uiteenlopende duur van deze periode.
Terwijl in Italië rond 1400/1420 de renaissance begon, bleef er in Duitsland tot ver in de 16e eeuw een Laatgotische traditie bestaan. Al in de 18e eeuw onstonden o.a. in Engeland en Duitsland de eerste gebouwen van de Neogotiek.
Hightech Sinds de jaren 80 gebruikelijk verzamelbegrip voor een architectuur met een duidelijk getechniseerde verschijningsvorm. De belangrijkste vertegenwoordiger is naast N.Foster, R.Rogers, die samen met R.Piano het bekendste hightechbouwwerk het Centre Pompidou in Parijs, realiseerde.</U1:P
Historisme Verzamelbegrip de op zich oudere stijlrichtingen baserende architectuurvormen, vooral ui de periode 1860-1910
Klassieke Oudheid Verzamelbegrip voor de twee vroege, hoogontwikkelde Europese beschavingen, de Griekse oudheid (bloeitijd 5e en 4e eeuw v. Chr.) en de Romeinse Oudheid (bloeitijd 1e en 2e eeuw v. Chr.)
kubisme Stijlrichting waarin vanaf 1907 bij Picasso, Braque en Delauny de natuurlijke vormen tot hun kubusvormige basisstructuren werden gereduceerd. Het correspondeerde met de beweging van de Praagse Kubisten.
neogotiek
Pop Art Kunststroming in de jaren 60 die alledaagse beelden en voorwerpen zoals soepblikken en de VW-kever tot onderwerp van haar kunst verklaarde en ze zodoende overdreef en vervreemde. Hoofdrolspelers van de Pop Art waren o.a. Andy Warhol, Robert Rauschenberg en Roy Lichtenstein.
Postmodernisme Zich sinds 60 in het werk van R. Venturi en Ch. Moore uitende tegenbeweging van het Klassieke Modernisme , die het strenge Functionalisme net als de verguizing van de orden en traditionele architectonische decoratievormen verwierp en deze vooral in Amerika (maar ook in Italië, bijvoorbeeld in het werk van A.Rossi) op een soms speelse manier nieuw leven inblies.
Dans
Abstracte Dans Ook wel absolute dans genoemd.Het gaat hier niet om het uitbeelden van gevoelens of verhalen, maar om de pure bewegingen, de constructie.
Academische danstechniek De danstechniek waarvan de basisprincipes voor het eerst door koning Lodewijk XIV in 1661 in de Koninklijke Academie voor Dans werden vastgelegd. Het belangrijkste principe betreft het'en dehors', waarvan de vijf klassieke voetposities zijn afgeleid.
Arabesk Houding waarbij een been achterwaarts en tevens gestrekt s opgetild.
Attitude Deze houding lijkt op de arabesk, maar het opgetilde been is gebogen bij de knie.
Ausdruckstanz Expressionistische dansvorm die in Duitsland, voor de tweede wereldoorlog door Rudolf von Laban en Mary Wigman ontwikkeld is. Kurt Jooss' ballet DeGroene Tafel is het bekendst bewaard gebleven ballet uit deze tijd.
Ballerina Term ontleend aan het Italiaans: de eerste danseres. De term wordt gebruikt voor een danseres die op een voortreffelijke wijze (ballerina) zowel technisch als artistek de zuiver academische dansstijl beheerst.
Ballet blanc Letterlijk 'wit ballet'. Het gaat hier om een episode, een bedrijf of het complete ballet waarbij sprookjesachtige, of bovennatuurlijke, vrouwelijke wezens de indruk geven te zweven terwijl ze dansen. De aankleding is dan ook in witte of doorschijnende tutu's. Gevoels- en stemmingsbeelden worden hierdoor uitgebeeld.
Ballet d'action Handelingsballet, een balletgenre dat als opvolger van de balletopera en voorloper van het romantische ballet opkwam in de 18e eeuw. De totale handeling werd uitgebeeld met behulp van dans en pantomime. Er was geen voordracht of zang bij betrokken.
Ballet de cour Hofballet tijdens de 17e eeuw waarbij prachtige kostuums, optochten, mime en muziek in de voorstellingen voorkwamen.
Ballet Een dansstuk dat is gemaakt op basis van de academische danstechniek.
Balletmeester Bij een dansgroep is dit de pedagoog die de dagelijkse repetities en trainingen verzorgt.
Barre Houten ronde stok langs de muur van de balletstudio; wordt gebruikt om het evenwicht te bewaren tijdens de oefeningen.
Bewegingsideeën Alle dagelijkse en functionele bewegingen kunnen in dans vertaald worden.
Bewegingsstroom Kwantitatief aspect: spanning, onder te verdelen naar gespannen, ontspannen of tegenspanning.
Kwalitatief aspect: gecontroleerd / vrij-uit bewegen.
Butoh Dans van de duisternis en de sombere ziel, de hedendaagse Japanse tegenhanger van de expressionistische dans.
Choreograaf Degene die de dans of bewegingscompositie ontwerpt. Een huischoreograaf is vast aan een gezelschap verbonden.
Compositie Het ordenen en structureren van dans tot een geheel dat reproduceerbaar is, aan de hand van vormgevingsprincipes.
Corps de ballet Dansers en danseressen die als groep samen dansen en geen solo's of hoofdrollen dansen.
Coulissen Beschilderde decorstukken of doeken die naast het toneel staan of hangen.
Dans vertolken Een reproduceerbare dans of danscombinatie uitvoeren. Het kan gaan om leerstofelementen, bestaande dansen of door de docent of leerlingen ontworpen dansfragmenten. De sfeer van de dans, de danstechniek en de vormgeving worden tot een geheel. De relatie tussen de dansuitvoering en de daarbij behorende intentie moet tot uitdrukking komen.
Dans vormgeven Dit is een manier om dans te ontwerpen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van improvisatie, exploratie en Compositie.
Dansactie Een dansactie is een handeling die omgezet kan worden in beweging zoals: lopen, rennen, springen, rennen, glijden, en kruipen.
Dansanalyse In de dans voorkomende aspecten benoemen ten aanzien van lichaam, tijd, kracht en ruimte.
Dansbeschouwen Analytische, op kennis gerichte, reflectieve en waarderende activiteiten die eigen en/of andermans dans betreffen.
Danselementen Danselementen zijn 'tijd', 'kracht' en 'ruimte'. Deze elementen worden vormgegeven met 'het lichaam'. In het 'Leerplan dans' wordt als vierde element gesproken van 'bewegingsstroom'. Ruimte, tijd, kracht en bewegingsstroom zijn de danselementen. Iedere dansbeweging kent aspecten van tijd, kracht, ruimte en bewegingsstroom.
Danseur noble De mannelijke tegenhanger van de ballerina. In Italië ook wel ballerino genoemd.
Dansproduct duiden Aan de hand van geobserveerde gegevens de betekenis en de bedoeling van het dansproduct verklaren.
Danssoorten Dansexpressie, folkloredans, jazzdans, klassieke dans, moderne dans.
Danstermen Begrippen die gebruikt worden om dansgegevens te benoemen.
Dansvaardigheden Het expressieve vermogen, het dansfysieke vermogen, het samen dansen, het uitvoeren van dans en het creatieve vermogen.
Danszin Een danszin is een afgerond reproduceerbaar geheel van dansbewegingen, zoals een zin in taal. In een dans onderscheiden we onderwerp, dansacties, tijd, kracht en ruimteontwikkeling.
En dehors Het buitenwaarts draaien van benen en voeten.
Exploratie Het onderzoeken en het verder ontwikkelen van het dansidee of dansmotief.
Frasering De frasering van een dans duidt aan dat er gewerkt wordt met danszinnen, waardoor het begin, het verloop en het ind van een dans zichtbaar wordt.
Grand jeté Een grote, verre sprong waarbij de benen en armen totaal uitgestrekt zijn.
Groepsformatie Hiermee wordt bijvoorbeeld de groep, de subgroep, een tweetal of een andere opstelling mee bedoeld.
Improvisatie Het onvoorbereid uitwerken van een dansidee of dansmotief.
In dans vertalen De leerling zet een dansidee om in dans. Dansideeën kunnen voortkomen uit alles wat zichtbaar, hoorbaar, voelbaar of denkbaar is. De vertaling van zo'n idee in dans zal altijd een persoonlijke lading hebben. Het dansidee wordt vanuit diverse invalshoeken geanalyseerd. Vanuit de analogieën en asscociaties, ontstaat het dansmateriaal. Met deze gegevens kan men het dansidee vormgeven.
Invalshoeken De invalshoeken leveren de relatie op tussen dans en de andere kunstvakken: beeldende vormgeving, drama en muziek. De beeldende invalshoek betreft lijnvoering, vorm- en materiaalaspecten. De dramatische invalshoek betreft emotie, sfeer, stemming, karakter, verhaallijn. De muzikale invalshoek omvat onder andere maatsoort, ritme, klankkieur, melodie, couplet, refrein.
Isolaties Het afzonderlijk bewegen van lichaamsdelen in de dans.
Jazzdans Deze dansvorm begon begin deze eeuw in Amerika en ontwikkelde zich tegelijkertijd met de jazzmuziek. Deze dansvorm is gebaseerd op Afrikaanse dansen.
Karakter Het karakter van een dans wordt bepaald door de dramatische inhoud en de danskwaliteit.
Kinesfeer De persoonlijke beweegruimte. Deze kan groot, middelgroot of klein zijn. Je kunt iemands kinesfeer begrenzen, binnenvallen, opvullen of doorsteken.
Kracht Er is sprake van actief gewicht of passief gewicht. Met actief gewicht wordt bedoeld krachtig (het gewicht inzetten), of licht bewegen (de zwaartekracht ontkennen). Met passief gewicht wordt de zwaarte van het gewicht bedoeld of een nuancering daarin.
Lagen Hoog, midden , laag. De laatste laag wordt ook wel diepe laag genoemd; dit houdt bijvoorbeeld in dat de danser laag bij de grond of over de grond beweegt. De middenlaag duidt het gebied aan wanneer men zich van de grond verheft en in het gebied komt dat zich op de hoogte van het middel bevindt. Wij spreken van de hoge laag als men zich in uitgestrekte vorm boven het middel van het lichaam voortbeweegt.
Lift Afkomstig uit het Engels, waarbij een danser door een ander- meestal een vrouw door een man- wordt opgetild.
Moderne dans In de 20e eeuw worden verschillende danstechnieken ontwikkeld, o.a. door Martha Graham, Merce Cunningham, José Limon. Men kan niet spreken van één moderne danstechniek. Het gemeenschappelijke is dat deze technieken niet gebaseerd zijn op het 'en dehors' principe van de academische danstechniek.
Pas de deux Letteriiik 'dans voor twee'. Meestal een man en een vrouw. Pas de... geeft het aantal dansers aan. Men spreekt van een duet als het een mannen- of vrouwenpaar betreft.
Patronen Bijvoorbeeld cirkel, zig-zag, lijnen, slinger
Pirouette Draai om de lichaamsas, op een been staande. Het andere been is in een houding opgetild.
Placering Bij placering wordt uitgegaan van het lichaam in stilstand. Er is onderscheid te maken in lichaamsgevoel en vormgevoel.
Plié Een van de basisbewegingen in het klassiek ballet, waarbij de knieën gebogen worden.
Pointes Letterlijk 'teenpuntendans'. In de Romantiek gebruikte men voor de danseressen balletschoenen met versterkte teenpunten (pointes). Pointes worden alleen gebruikt in het academische ballet, en dus niet in de moderne dans. De Duitse term voor pointes heet 'spitzen'.
Ports des bras Uit het Frans: arm- en handbewegingen/ houdingen.
Richting Gedacht vanuit het eigen lichaam is dit bijvoorbeeld voorwaarts,achterwaarts, zijwaarts, diagonaal.
Ritmische structuur Vormgevingsmiddelen die ontleend zijn aan muziek, beeldende vormgeving of drama kennen meestal een ritmische structuur. Een ritmische structuur bestaat uit het bewegingsritme, het ademritme en muzikale structuren.
Romantisch ballet Balletgenre uit de 19e eeuw, met als achtergrond de Romantiek. Deze balletten , zoals Het Zwanenmeer, Coppela, De Sylfide, Giselle, hebben kenmerken als: avondvullend, een verhalend karakter, veel spitzenwerk, de vrouwelijke hoofdrol valt meer op, en er zijn veel dialogen in duetten.
Ruimte Het begrip ruimte kent de volgende onderverdelingen: richtingen, vlakken, kinesfeer, lagen, vorm van het lichaam, vormverandering, patronen, plaatssituering in de ruimte, opstelling, unifocus/muitifocus, ruimtelijke intentie. Zie voor de verschillende begrippen de termen in deze lijst.
Solo Een dans voor één persoon.
Spotten Dit is de techniek die dansers gebruiken tijdens het draaien om te voorkomen dat ze duizelig worden. Men richt de ogen op een vast punt, en probeert na de draai dit punt zo snel mogelijk weer te vinden.
Theatrale middelen Toneelbeeld, kostuums, décor, licht, attributen, geluid.
Tijd Het tempo, de duur, de maat, het ritme, defrasering, en de mate van versnellen of vertragen waarin de dansbeweging piaats vindt.
Tutu In de Romantiek is dit Balletrokje in; Het bestaat uit meerdere lagen stof, vroeger van zijde, tegenwoordig van kunststof of nylon.
Vlakken Bijvoorbeeld het sagittale vlak, het verticale vlak.
Vorm van het lichaam Bijvoorbeeld hoekig, rond, open, groot, klein
Vormgevings-principes Structurering en ordening.Structurering: herhalen, omkeren, opeenstapelien, spiegelen, leiden en volgen; thema en variaties; rondo, canon. Ordening naar persoon, beweging, geluid, ruimte, theatrale middelen.
Vormverandering Vormenstroom; geen vaste vorm aannemend.
Zwaartekracht ontkennend dansen als een veertje(terwijl het eigenlijk heel zwaar is)
Colofon | Overnemen materiaal en opdrachten | Disclaimer | Privacy | Contact | © 1999-2011 KSH, Hoofddorp